In het Engeland van koningin Victoria ging je niet dood, je viel in slaap














Eerste pagina | Wetenswaardigheden | Immer met moed | Bekentenissen van een stamhouder | Een beschaafde jongeman | Hoe nu verder? | Voor wie toenadering zoekt | Français | English | Foto's / Photos / Photographs





(Great ! Britain Magazine)
 
Op de Zuid-Londense begraafplaats Nunhead is de dood springlevend: nadat de natuur er zo’n halve eeuw ongestoord haar gang kon gaan wordt er nu geprobeerd het verval een halt toe te roepen. Oude graven worden opgelapt, nieuwe gedolven. Maar er gebeurt nog veel meer op dit Victoriaanse kerkhof. Zo is een wandeling er niet helemaal zonder gevaar...
 
Het is een schitterende zomerse dag als ik in de gelijknamige wijk uit de bus stap. Om bij de dodenakker te komen doorkruis ik een slaperige nieuwbouwwijk met veel gesloten jaloeziëen en nauwelijks geparkeerde auto’s. Ik heb het gevoel door de actualiteit van de laatste dagen te lopen: hier wonen de hardwerkende tweeverdieners die steen en been klagen omdat de hypotheekrente voor de zoveelste keer opwaartse beweging vertoont.    
      Ook de parkeerplaats bij de hoofdingang van Nunhead ligt er verlaten bij, en als de smalle deur naast de brede, vergrendelde hekken niet half open gestaan had, was ik welzeker rechtsomgekeerd en had het verloop van dit verhaal er naar alle waarschijnlijkheid heel anders uitgezien.
      Het loof van torenhoge eiken die jonge bomen geweest moeten zijn toen Nunhead in de jaren veertig van de negentiende eeuw haar eerste doden begroef, verwelkomt me als een achtergrondmuziekje in een supermarkt. Ik loop de brede oprijlaan af met aan weerskanten groenstroken vol keurig gerangschikte grafstenen.
      Bij de provisorisch opgelapte overblijfselen van een negentiende-eeuwse kapel houd ik stil. Een paar nog overeind staande muren werpen inktzwarte slagschaduwen op spierwitte vloeren en een kraai daalt luid krijsend neer op een bord waar ‘verboden te betreden’ op staat.  Het voelt alsof ik terechtgekomen ben in het decor van een horrorfilm. 
 
Tot aan de zuidkant dwaal ik in totale eenzaamheid over slingerende paadjes die overdekt zijn door breed uitgewaaierd gebladerte, als natuurlijk gevormde gewelven. Zo nu en dan duikt er iets op wat er op wijst dat ik nog altijd op een kerkhof ben: een vleugel van een engel - intact of gehavend -, een kruis overwoekerd door klimop, een deels van een graf geschoven hoofdsteen...
      Namen laten zich moeilijk ontcijferen maar als het me lukt een voornaam te lezen, doe ik mijn best - noem het een uitdaging - er ook de achternaam en op zijn minst één van de twee data bij te pakken. Ik moet altijd weer glimlachen als ik het eufemistische taalgebruik waaronder de negentiende eeuw gebukt ging weerspiegeld zie in de inscripties. In het Victoriaanse tijdperk ging je niet dood, je viel in slaap. Vaders, moeders, tantes, oudooms - allemaal beloved (als je die opschriften mag geloven vraag je je af waar testamenten voor dienen) - sluimerden op een dag in om nooit meer wakker te worden. Eén keer verlaat ik het reguliere pad, maar als mijn rechtervoet een beetje al te diep wegzakt in een materie die ik als verdord gras inschatte zie ik verder af van dit soort waaghalzerijen...
      Toch nog onverwachts - het onderwerp begint mijn taalgebruik te beïnvloeden! - is het afgelopen met de idyllische doorkijkjes op onthoofde beelden van zeehelden en gespleten grafstenen. Ik betreed de gronden waar weer begraven wordt. Hier regeert de moderne tijd met glimmende zerken en monumenten, uitgestrooid over gladgeschoren gazons. Voor het eerst kom ik in aanraking met mensen.
      Een meisje met een waxinelichtje haalt me in en een in het zwart geklede jongeman legt een rode roos op een grafsteen. Zakdoeken worden tevoorschijn gehaald, blikken staan op oneindig. Ineens is de dood geen attractie meer maar een alledaagse realiteit. Een blik op de ingelijste foto van een jonge vrouw op een tombe is het ultieme teken dat ik hier niets te zoeken heb: als de dood een gezicht krijgt kun je je beter uit de voeten maken. 

Op weg naar de uitgang - ik ben inmiddels terug in de contreien van de kapel - sla ik een laantje in dat door een van de oudste delen van de dodenakker loopt. De geur van het bos - die geur die zich niet laat vangen door één bijvoeglijk naamwoord - beroert mijn neusgaten en ik herontdek de stilte van dit openluchtmuseum - alhoewel je je kunt afvragen, gezien het merkwaardige fait divers waar ik vervolgens getuige van ben, of ‘rariteitenkabinet’ de lading niet beter dekt.
      Een minuut of wat later maakt de zo verkwikkende bosgeur plotseling plaats voor een penetrante brandlucht. Terwijl ik me afvraag of er soms iemand ergens een barbecue aan het voorverwarmen is, klinkt er een luide knal.
      Ik draai me half en buig wat takken opzij, maar de bladerzee toont zich onverbiddelijk en in het licht van een eerdere - ni